conceptueel kunstenaar - portrettist

*Marie Amélie Raick 1884-1965
Alleen op de wereld: Ken jij je voormoeders?

FLUISTERINGEN in de schemering. VOORmoeders in the picture. Dit kunstproject zet de vrouw in de ‘vaderlandse’ geschiedenis centraal. WIE ZIJN JOUW VOORMOEDERS?

 

Marie Amélie Raick, mijn grootmoeder, is geboren op zondag 6 januari 1884 om 22 uur ’s avonds in Charleroi. Het was een revolutionair jaar: in Brazilië wordt de slavernij afgeschaft en in New York begint men te bouwen aan het Vrijheidsbeeld. In Nederland worden in de troonopvolging, door het overlijden van Alexander van Oranje, twee vrouwen aangewezen. De vierjarige Wilhelmina wordt directe troonopvolger van koning Willem III, en haar moeder Emma haar regentes.

Maries vader is de 35-jarige Belgische verzekeringsinspecteur Joseph Raick. Haar moeder is de dan 34-jarige Nederlandse Elisa Sterk, afkomstig uit Grave (NL). Het gezin is Franstalig. Ja, ook haar moeder, de Brabantse Elisa, voert Frans als hoofdtaal. Dit omdat ze als weesmeisje op kostschool, vanaf haar negende jaar, Franstalig is opgevoed door de Ursulinen van Tildonk (B). Het jonge gezin woont in het bankkantoor van de Banque National, Quaie de Brabant in Charleroi. Een statige buurt vol grote, majestueuze herenhuizen. Marie wordt geboren in een bruisende stad. Dankzij de net aangelegde spoorweglijn en het station, zijn de glas‑, staal‑ en steenkoolnijverheid, in fenomenale ontwikkeling. De stadswallen zijn een decennium daarvoor afgebroken; er zijn lommerrijke groene lanen, parken en monumentale nieuwbouw voor in de plaats gekomen. Mede door de steenkoolindustrie is de stad in die tijd de tweede rijkste van het Belgische land.

                   

Links: foto van Marie als baby in 1884. Rechts: foto van het gezin na het overlijden van Moeder Elisa in 1888. Bij vader Joseph op schoot zit het naamloze, vroeg gestorven zusje, rechtop staat Marthe, zittend rechts Marie.

Het geluk kan niet op wanneer anderhalf jaar later Marie een zusje krijgt. Op 1 juli 1885 om 4 uur ’s ochtends wordt Marthe geboren. Het gezinnetje verhuist niet veel later naar Marcinelle, een klein stadje aan de overkant van Charleroi, ook gelegen aan de rivier de Samber. Waarschijnlijk wordt vader Joseph daar gedetacheerd. Moeder Elisa raakt opnieuw zwanger. Tijdens of vlak na de geboorte van deze derde dochter gebeurt er iets vreselijks. Is het als gevolg van uitputting of een plotselinge infectie? Moeder Elisa overlijdt 4 september 1888 om tien uur ‘s ochtends in Marcinelle. Ze is dan pas 38 jaar. Vader Joseph blijft achter met drie kleine peuters. Marie, de oudste, is vier en de jongste is een zuigeling. Dit kleine baby’tje, een meisje, sterft ook. Wanneer precies, weet ik niet. Ook niet wanneer ze geboren is. Ik heb noch een geboorte- noch een doop- noch een overlijdensacte kunnen traceren. Door de aantekeningen van mijn grootvader Anton weet ik alleen dat het een meisje was. De zuigelingensterfte in de Nederlanden was gedurende de 19e eeuw er hoog. Tot meer dan 300 per 1000 geboortes lees ik in een artikel over zuigelingensterfte en geboorte in de 19e begin 20ste eeuw. Dat is bijna 1 op de drie kinderen. Voor de oorzaken van de extreem hoge sterfte in het 1e levensjaar (veel hoger dan bij oudere kinderen) geeft men als belangrijkste reden: de aandoeningen van het maag-darmkanaal, onvoldoende hygiëne en besmettelijke ziekten. Dit kwam omdat de meeste kinderen kunstmatig gevoed werden. Dit omdat vrouwen buitenhuis werkten of bijverdienden als min. Toen vrouwen door voorlichting en kennis hun (eigen) kinderen meer borstvoeding gingen geven, nam het sterftecijfer en ook het aantal zwangerschappen geleidelijk af.

‘Ook nu is Moedersterfte wereldwijd nog onnodig hoog’, lees ik op de site www.whiteribbon.nl. ‘Jaarlijks sterven er 287.000 moeders in de wereld, dat zijn er 800 per dag. Geschat wordt dat voor elke vrouw die overlijdt er 50 tot 100 vrouwen zijn die ernstig ziek worden of gehandicapt raken ten gevolge van een zwangerschap of een geboorte.’

Elisa Sterk, de moeder van Marie Amélie.

Vader Joseph hertrouwt met Genevieve Heuchon. Was er sprake van liefde? Of was het slechts een goede oplossing voor het moederloze gezin? Was ze een aardige stiefmoeder? Vragen waarop de overlevering mij geen antwoorden geeft. Wel hebben ze samen geen kinderen meer gekregen. Ik kan hierover tenminste niets in de archieven vinden. Ook zijn ze niet heel lang getrouwd geweest. Want helaas slaat het noodlot opnieuw heftig toe. Vader Joseph wordt ernstig ziek en sterft in september 1894. De twee meisjes, Marie van elf en Marthe van tien jaar, zijn in een klap wees. Niet alleen in Josephs overlijdensakte, maar ook in een Nieuwjaarsbrief van Marie aan haar peetvader in 1891, lees ik dat ze op dat moment in Dampremy wonen. Een klein dorpje in de buurt van Charleroi, in Rue de l’asile. Terugvinden kan ik die straat niet meer en het dorp is inmiddels opgegaan in Charleroi, zodat ik me geen beeld kan vormen van hun omgeving in deze trieste periode.

é

1891: nieuwjaarsbrief van de 7-jarige Marie aan haar peetvader. 

De band met hun stiefmoeder was niet sterk genoeg, of de familieraad beslist anders, maar de meisjes verlaten na de dood van hun vader het dorp Dampremy en het ouderlijk huis. Ze verhuizen naar Enghien, een klein stadje zo’n zestig kilometer verderop, schuin onder de rook van Brussel. Ze gaan wonen op de pastorie bij hun Tante Cor en Heeroom Willem die daar pastoor is. Beiden zijn direct familie van hun overleden moeder Elisa Sterk. Tante Cor Sterk, dan ca. 42 jaar oud, is hun moeders jongere zus en helpende hand in de organisatie van de pastorie. Eens afgestudeerd als lerares, maar nu haar broer-priester ondersteunend in zijn religieuze taken. Heeroom Willem Sterk is hun moeders oudere halfbroer van ca. 52 uit een eerder huwelijk van hun moeders vader. Willem was ook jong wees en is daardoor opgevoed in een Franstalig klooster in Enghien. De levensgeschiedenis lijkt zich dus te herhalen. Zowel Heeroom Willem als Tante Cor weten hoe het is om jong één van je ouders, of zelfs beide ouders te verliezen. Misschien zijn ze daarom ook wel de aangewezen personen om deze twee ouderloze meisjes op te vangen.

   

Foto’s circa 1898: Tante Cor Sterk en Heeroom Willem Sterk, pleegouders van Marie en Marthe na de dood van hun ouders.

Het zal wel wennen geweest zijn daar in de pastorie voor de twee ongetrouwde, op leeftijd zijnde, rustige mensen. Ineens werden ze geconfronteerd met twee jonge meisjes in hun huis, vol verdriet en vol leven. Het zal best een uitdaging voor oom en tante geweest zijn om ze te begrijpen, voldoende liefde en de juiste sturing te geven. Misschien heeft de onderwijservaring van Tante Cor en de wijze rust en humor van ome Willem wat geholpen om het leven voor elkaar dragelijk en misschien zelfs gezellig te maken. De voertaal in dit huis, hoewel oom en tante beide van Nederlandse komaf zijn, is ook Frans, net als de meisjes thuis gewend waren. In hun verdere omgeving, op straat en in de winkels, was het anders. In Enghien werd in die tijd overwegend Nederlands gesproken.

 

Voormoeder Marie Amélie Raick (Charleroi 1884- Oldenzaal 1965), acryl op paneel: 1m20 x 1m60.

   

De twee zusjes Raick rond 1900. Links: Marthe, ca. 14 jaar, blootshoofds. Rechts: Marie, 16 jaar, met wandelkostuum, hoed en paraplu.

De jaren verstrijken in relatieve rust. Marthe doet 21 juni 1896 haar eerste communie in de kapel van de zusters Ursulinen. Mijn Grootmoeder Marie heeft het aandenken hiervan heel haar leven bewaard. Ik vind het tussen haar spulletjes samengevouwen in een vergeelde envelopje met een zwarte rand. Daarin zit ook zorgvuldig weggestopt een overlijdensbericht met een bidprentje van een paar jaar later. Van vrijdag 17 mei 1901, om precies te zijn. Want dan sterft Marthe, haar dierbare zus. Het onvoorstelbare gebeurt opnieuw. De zus waarmee ze is opgegroeid en zo’n sterke band heeft, wordt ziek en geneest niet meer. Marthe is 14 jaar oud als Marie, zelf een jaartje ouder, afscheid van haar moet nemen. Of Marthe een zwaar en lang ziekbed heeft gehad, vermeldt het bidprentje niet. Wel dat het een charmant kind was…

Marthes bidprentje, 17 mei 1901.

Hoe Marie is omgegaan met zoveel verlies en verdriet is me een raadsel. Hoe verwerk je dat je zoveel dierbaren om je heen ziet sterven? Je moeder, je vader en je twee zussen. Ik kan me voorstellen dat je er goed angstig van wordt. Angstig om geliefden te verliezen. Angstig om het leven voluit te leven, bang voor de dag van morgen. Bang voor alles wat komen gaat en verkeerd kan gaan. Bang voor ziekte, koudjes en tocht, die onherroepelijk lijken te leiden tot de dood. Zo herinner ik me mijn Grootmoeder ook. Angstig en bangelijk. Frêle en kwetsbaar.

De begrafenis is achter de rug en Marie moet verder met dat leven. Ik weet niet wie of wat haar er toe aanzet, maar Marie gaat tekenen en schilderen. Het eerste schilderijtje, wat ze een half jaar na de dood van haar zusje maakt, draagt ze op aan haar Peetvader: ‘Ma première peinture pour mon Parrain chérie, Marie Raick 1er Janvier 1902.’ Het is een klein schilderijtje met olieverf (9 cm x 14 cm) van een fier, simpel, houten kruis dat boven op een bergtop met gespreide armen zonlicht vangt. Ook gaat ze aquarelleren. Hele schetsboeken vol. Meestal liefelijke, zoete, romantische tafereeltjes, van poppenmoeders met levende knuffels, tot een op klavecimbel spelende vrouw met een lang, wit gewaad. En studies, heel veel studies van bloemen, bloesems met takjes, fruit en blaadjes. Als kind vond ik het allemaal even prachtig. Vooral de gestolde tijd en de onherkenbare, nostalgische sfeer gaf mij bij elke geschilderde prent een bijzonder vertelsel cadeau van lang geleden.

   

1902: een klein olieverfschilderijtje (9 cm x 14 cm) en twee aquarellen van Marie (A4).

Ergens in mijn grootvaders aantekeningen lees ik dat de toen 17-jarige Marie naar de huishoudschool ging, vlak na de dood van Marthe. Misschien wilde de familie haar lijden wat verzachten door haar in een andere omgeving te plaatsen, waar ze nieuwe herinneringen kon bouwen zonder haar zus. En misschien ook om nieuwe contacten en vriendschappen op te doen die haar eenzaamheid wat konden verminderen. Marie had hiervoor zeker al diverse scholing gehad, gezien het gemak waarmee ze foutloos schreef en trefzeker tekende met pen en inkt. Verder leren na de basisschool was voor meisjes eind 1800 echter niet zo evident. In Wallonië, waar Marie woonde, begon het middelbaar onderwijs voor meisjes net op gang te komen. De huishoudschool ontstond eind 19e eeuw als tegenhanger van de nijverheidsscholen voor jongens. Ze werd meestal door kloosterorden ingericht. Ze sloot aan op de lagere school en onderwees behalve “huishoudtechnieken” zoals onderhoud, kleding en vooral voedselbewaring en -bereiding ook taalbeheersing, sociale omgangsvormen en godsdienst. Deze opleiding werd in de gegoede burgerij als uitstekende voorbereiding op het huwelijk gezien. Marie wordt naar de vrije huishoudschool van de Duitse Ursulijnen (Hannover) in Bauffe gestuurd. Een Duitstalig pensionaat in een dorpje zo’n 25 km van Enghien. Rector van de school was Prudent Latinus, een vriend van Heeroom Willem. Volgens mijn grootvader Anton was hij heel beschaafd en sprak hij vloeiend Duits. Misschien heeft Marie, die dan inmiddels drie talen uitstekend beheerst, daar haar latere baan als Gouvernante bij de grootindustrieelfamilie Kleinewefers in het Duitse Krefeld aan te danken.

Marie op zestienjarige leeftijd.

Op school gaat ze zich ook bekwamen in patroontekenen, knippen en naaien. Ik vind haar patronenschrift van 3 août 1902: cahier de couper terminière. Of het bestaande patronen zijn die ze natekent of dat ze zelf het mannenhemd, de avondjurk en de kinderbloezen die er instaan, ontwerpt, ik heb geen idee. Ze heeft in ieder geval alles met een onbeschrijfelijke nauwkeurigheid en een duidelijk leesbaar, fijn en minuscuul handschrift getekend en genoteerd. Jawel, vooral erg knap als ik bedenk dat het allemaal met kroontjespen en inkt geschreven is. Onbegrijpelijk! Nergens een inktvlek te bekennen. Bladzijden lang worden rokken, broeken en zelfs ondergoed herleidt tot uitgewerkte mini-knippatronen.

1902: een bladzijde uit Maries patronenschrift.

Na haar opleiding in Bauffe wordt ze aangenomen als gouvernante bij de familie Kleinwefers in Krefeld. Ze gaat zorgen voor de twee zonen van deze grootindustrieel. Ze bouwt goede banden met deze familie op en ze beleeft er een hele gelukkige periode. Ik vind diverse foto’s van dit gezin, ook van jaren later, in Marie’s fotoalbum terug. Meneer en mevrouw worden ook de peetouders van sommige van haar kinderen. Het is dan ook niet vreemd dat ze vanuit dit gezin Kleinewefers trouwt.

         

Marie gedurende haar tijd als gouvernante in Krefeld met Paul Kleinwefers (D).

Marie trouwt maandag 15 mei 1911 met Anton Mercx in Krefeld. Het is een zonnige, friswarme dag, onbewolkt en 20 °C. Marie is dan 27 jaar oud en haar echtgenoot is precies een jaar jonger. Met Anton en zijn gezin heeft ze al heel haar leven een hechte band. Antons moeder Maria Sterk is een halfzus van haar eigen moeder Elisa Sterk. Deze vrouwen delen dezelfde vader. Wat ze ook gemeen hebben, is dat ze allebei op veel te jonge leeftijd in het kraambed zijn gestorven. De vader van Anton (Ton) is Maries peetoom, oom Martinus. Ze komt dus door dit huwelijk met haar (half) neef -in een bekend en veilig nest- terecht.

 

       

Maandag 15 mei 1911, Krefeld: het huwelijk van Marie Amélie Raick en Antonius Cornelis Marie Mercx. Op de foto links in het midden Heeroom Willem en naast hem de vader van Ton, Martinus. Onder zittend met twee zonen naast zich mevrouw Kleinewefer. Rechts schuin achter haar, haar echtgenoot.

Marie gaat na haar huwelijk wonen bij haar echtgenoot in de Claes Bockes Balckstraat in Leeuwarden. Een betere middenstandswijk, met grotere en minder grote woningen. De tegenwoordige Indische buurt. Anton werkt als boekhouder op de gasfabriek. Hun oudste dochter wordt een jaar na hun huwelijk geboren op 12 mei 1912. Ze geven haar de naam Marthe Martina Cornelia naar het zusje van Marie, dat ook in mei gestorven is, elf jaar eerder om precies te zijn. Lang blijft het gezin niet in Leeuwarden. Ton krijgt in 1912 een vaste aanstelling als directeur van de Gasfabriek in Oldenzaal. Dit zal hij tot zijn pensionering blijven. Ze gaan wonen in het huis naast de fabriek. De jonge moeder Marie krijgt vlak na elkaar nog drie dochters. In juni 1913 Maria Wilhelmina (Willie), een dik jaar later in oktober 1914 Gertruda Desirée (Truus). Dit meisje, enthousiaste gymnasium-studente, sterft jong op 19-jarige leeftijd. De vierde dochter Elise Marie Olivia (Lies) wordt in oktober 1916 geboren. Gelukkig staat Marie er in haar drukke huishouding met kleine kinderen niet alleen voor. In het Twentsche dagblad De Tubantia van 16 augustus 1916 lees ik dat ze een nette dienstbode zoekt. Hopelijk was dit allemaal geregeld voor de bevalling van haar jongste telg. Het gezin lijkt compleet. Uit verhalen van de jongste dochter Lies, mijn tante, weet ik dat de meisjes vooral rustig en stil moesten zijn. Mijn grootmoeder kon niet goed tegen geroep, lawaai, ruzie, gehol of geren. De meisjes moesten zoetjes en stilletjes met hun taakjes bezig zijn en vooral een lief en volgzaam karakter hebben. Een wildebras als mijn tante die bij het hard lopen haar spelden kwijt raakte en haar witte jurkje met roezeltjes verkreukte en bevuilde, werd niet gewaardeerd. Liesje heeft dan ook veel en vaak straf gehad. Mijn Grootvader Ton kon lief maar ook streng zijn tegen zijn dochters, vertelde ze me. Naar mijn grootmoeder Marie was hij overbeschermend en betuttelend. Hij was altijd bang dat alles voor haar teveel en te zwaar was. Hoe zou Marie dit gevonden hebben, vraag ik me af. In de weinige familieverhalen die mijn neven en nichten over haar vertellen komt ze niet echt uit de verf. Ze was een te introverte, teruggetrokken en stille vrouw. Knuffelen kon ze niet. Noch met haar kinderen, noch met haar kleinkinderen… vertellen ze mij unaniem. Het onverwachte verlies van twee zusjes, en haar beide ouders, op jonge leeftijd heeft haar voor het leven getekend. Want als iedereen die je lief is om je heen zomaar dood kan gaan, hoe kun je het leven dan nog vertrouwen? Hoe durf je je te hechten aan je dierbaren?

     

Ca. 1920-1922: Marie en Ton met hun 4 dochters en Heeroom Willem en Tante Cor in de tuin bij de gasfabriek (links); het gezin op vakantie aan zee (rechts).

Als Marie 44 jaar oud is, blijkt ze tot ieders verrassing opnieuw in verwachting. Tot hun grote blijdschap wordt als hekkensluiter een welgeschapen zoon geboren (1928). Ze noemen hem Raymond Johannes Martinus (Ray, mijn vader). Grappig, ik lees in het familiestamboek, mijn grootouders huwelijksboekje (Familien -Stammbuch- Eigenes Herd ist Goldes wert), dat zijn oudste zus Marthe die dan 16 jaar oud is zijn peetmoeder wordt. Bijzonder ook omdat Marthe drieëndertig jaar later ook mijn peetmoeder wordt. Nooit geweten dat mijn vader en ik dezelfde peetmoeder deelden.

44-jarige Marie met haar zoon Raymond (mijn vader)

Of mijn grootmoeder Marie nog tekende en schilderde tijdens haar huwelijk weet ik niet. In de dozen met spullen van mijn grootouders zitten geen nieuwe schilderijen of tekeningen van haar hand. Wel blijkt dat ze erg sportief was. Ze was gek op zwemmen, vertelde mijn vader ooit. Ik vind tussen de papieren dan ook haar zwemdiploma uit 1936. Een proef van bekwaamheid in de Oldenzaalsche bad- en zweminrichting, waardoor ze zichzelf op 48-jarige leeftijd een geoefend zwemster mocht noemen. Daarvoor heeft ze die dag met goed gevolg 50 meter borstzwemmen, 30 meter rugzwemmen en een sprong van de 1 meterplank afgelegd. Mijn grootmoeder bleef er met veel plezier jarenlang wekelijks baantjes trekken. Ook stimuleert ze de achtjarige Ray om te leren zwemmen. Hij haalt zijn diploma een jaar na zijn moeder. Zouden ze veel samen gezwommen hebben? Ook tenniste ze regelmatig met een groepje vrouwen in een tennisclub in het park van Oldenzaal.

         

Tennissen en zwemmen: bezigheden waarin Marie veel plezier in had.

Mijn nicht Anke (het oudste kleinkind) mailt me haar herinneringen over haar grootouders Marie en Anton:” Ik ben in 1940 geboren en zag mijn grootouders pas voor het eerst vlak na de oorlog. Ik was toen 5 jaar oud. Met een taxi gingen we van Beverwijk naar Schiphol en vandaar met een gammel legervliegtuigje (o wat was ik luchtziek) naar vliegveld Twente…vandaar naar het huis naast de gasfabriek in Oldenzaal. Opa had ons opgehaald…wat een grote man…Daar zag ik Oma gezeten in een zeer statige salon…wat een klein vrouwtje…De salon rook naar een speciale mengeling van oud antiek en boenwas.  Verder herinner ik mij alleen nog het grote huis. De lange trap naar boven en de trein wagons op de wissels van de fabriek. Opa bracht ons terug naar het vliegtuig en zei me dat ik niet misselijk zou worden omdat het vliegtuig nu zilver was. En zo was het.

Altijd als we jarig waren kwam er een leuke kaart van Grootvader en Grootmoeder. Zo ook als we ziek waren.

Als kind werd ik  regelmatig naar Oldenzaal gebracht om aan te sterken .Daar maakte ik kennis met het enorme talent van Oma om iemand beter te maken…er kwam geen dokter bij te pas. Veel buitenlucht, goed eten en iedere avond voor het slapen gaan een kommetje pudding waren de ingrediënten. Ik herinner me dat ik met een hardnekkige steenpuist in mijn nek iedere dag in de zon moest zitten met een klontje boter op een schoteltje. Als de boter gesmolten was mocht ik weer naar binnen. Op de gasfabriek vond ik het alweer heel interessant met die treinen en daar mocht ik spelen met het speelgoed van OOM RAY. Wat was ik altijd blij als hij thuiskwam met zijn motor… hij speelde en ravotte met mij…Op zondag wandelden opa oma en ik door de velden…Oma kende de namen van alle wilde planten. Ik heb haar herbarium geërfd. Alles heel keurig en precies…Ook speelde ik heel graag met de dozen vol ansichtkaarten van oma. Je mocht ze sorteren op van allerlei onderwerpen. Ook herinner ik mij  dat oma -in mijn ogen, maar het was eigenlijk heel knap- heel raar Nederlands sprak. Ze kende toch maar mooi 3 talen.

Toen ik zelf naar kostschool ging kreeg ik wat van oma’s deftige voorwerpen mee: het tennisracket, een hele mooie peignoir, een waszak met jugendstil borduursel en een zilveren bestek met de letters M.R er sierlijk in gegraveerd! Een keer in de maand mocht ik mijn grootouders schrijven en dat deed ik dan ook. Het antwoord was altijd een kaart met teksten van opvoedkundige waarde.

Ook tamelijk regelmatig kwamen opa en oma naar Beverwijk (waar wij destijds woonde) Een lange reis met de trein. Wat vond ik mijn oma toch kei-oud. Ze trok helemaal geen aandacht…ik weet niet wat ze de hele dag deed… daar heb ik verder geen herinnering aan. Opa ging iedere dag met mij naar de dokter toen ik weer eens een wond had die niet wilde genezen…dus er kon me niets gebeuren. Wel herinner ik mij dat oma heel streng was als ze mij Franse les gaf…en ook als ik met haar mee mocht om te leren zwemmen. Die beide zaken heeft oma opgegeven. Het was nutteloos…Ik leerde het in haar ogen misschien niet snel genoeg? Mijn moeder noemde haar moeder altijd “snoek”. Een koosnaampje vanwege mijn oma’s zwemprestaties?”

 

Deze schets van mijn grootmoeders leven is tot stand gekomen dankzij de verhalen en herinneringen van mijn nichten Marian, Marjan en Anke (mijn dank is groot) Verder heb ik kunnen putten uit mijn grootvaders aantekeningen, brieven, foto’s en de verzamelde stambomen uit het familiearchief.

 

 

 

Voormoeders: een vergeten groep. Bijna niemand kent zijn eigen voormoeders, of weet hun namen. Jij wel? Uit de mottenballen met die dames…

 

 

 

 

Scroll naar top