conceptueel kunstenaar - portrettist

Gesina Niemeijer 1902-1989
Van een dubbeltje naar een kwartje: Ken jij je voormoeders?

Studie Gesina Niemeijer 1942: acryl op paneel (1m20x1m50).

Wanneer mijn grootmoeder Gesina Maria Niemeijer wordt geboren, zaterdag 10 mei 1902, is het een van de koudste meimaanden van de vorige eeuw. Het jonge gezinnetje woont in Hezingen, een voornamelijk katholiek buurtschap in de gemeente Tubbergen. Haar vader is de 32-jarige Gerhard Herman Niemeijer, landbouwer, en haar moeder de 26-jarige Maria Rekers, een voormalig dienstmeisje en dochter van een boer. Als Gesina net een jaar oud is, in 1903, wordt haar broertje Bernardus geboren. Maar verdrietig genoeg overlijdt hij zes maanden later. Het zal een dikke vijf jaar duren voordat er opnieuw gezinsuitbreiding komt. In 1907 vind ik het gezin terug in Ootmarsum, de Oostwal 14. Ze wonen in een van de reeks geschakelde arbeiderswoninkjes in het centrum van het stadje. Het is blijkbaar een soort van ‘familiehuis’ want er hebben zich verschillende Niemeijers daar in diverse periodes geregistreerd. De buren die naast hen wonen zijn sigarenmakers, dienstmeisjes en landarbeiders. Vader Gerhard heeft zich hier ingeschreven als sigarenmaker en niet langer als landbouwer. Kon hij zijn brood misschien beter in dit metier verdienen? Enige jaren later wordt er ook nog winkelier als professie aan toegevoegd. In wat voor winkel hij werkte, en waar die winkel geweest is, daar kom ik niet achter. Oostwal 14 is tevens het adres waar Gesina’s jongste en enigste zusje Maria geboren wordt. Een zus waar ze nooit een hechte band mee zal krijgen. Is het door het leeftijdsverschil, of verschil in karakter en temperament? Of misschien wel omdat moeder Maria van het begin af aan meer affiniteit met haar jongste telg en naamgenoot lijkt te hebben? Zou ze bang zijn geweest dit jongste kind net als zoontje Bernardus ook te verliezen? Hoe het ook zij, in haar ongebreidelde aandacht voor de jongste, vergeet ze vermoed ik, dat haar oudste dochter ook zo haar dingetjes heeft.

Ca. 1960: De voormalige arbeiderswoninkjes aan de Oostwal in O0tmarsum, de buurt en een van de huisjes waar Gesina opgroeide.

De jonge Gesina is weliswaar naar de lagere school gegaan, maar een vervolgstudie zat er beslist niet in. Was ze eigenlijk een goede leerling? De kans om hierin iets te bewijzen krijgt ze niet, want Gesina wordt als dienstmeisje uit werken gestuurd. Net als haar moeder Maria in haar jonge jaren. Volgens de familieverhalen zou Gesina dertien of veertien jaar oud zijn geweest toe ze aan haar eerste dienstje begon. De extra inkomsten waren blijkbaar hard nodig om het schrale loon dat vader met zijn sigarenfabricage verdiende wat aan te vullen. Dit was rond 1900 in veel gezinnen van vooral (land)arbeiders eerder regel dan uitzondering. Bijna 51 % van de vrouwelijke bevolking werkt in die tijd in de huishouding elders. Meisjes huwden dan ook pas halverwege de twintig of zelfs ouder. Vele families waren te afhankelijk van hun dochters inkomsten. Daarnaast werd het dienstbode vak ook gezien als een ideale voorbereiding op het huwelijk. Zeker als men bij een familie uit een betere sociale klasse terecht kwam. ‘Dienstmeisjes stonden in die tijd op de maatschappelijke ladder dan ook hoger aangeschreven dan Fabrieksarbeidsters’ lees ik in het boek Altijd Roomboter van Nelleke Noordervliet, dat het vrouwenleven van een dienstmeisje rond 1900 uitdiept. ‘Fabrieksarbeidsters werden gezien als brutaal en vol vuile praat.’ Omdat ik een reëel beeld probeer  te krijgen van mijn grootmoeders werkzaamheden als dienstmeisje begin 1900, neus ik nog wat rond op internet en stuit ik op een interessant artikel in  ‘Voorwaarts’, een socialistisch week­blad uit Arnhem, 5 mei 1889:

We kennen geen slaafscher leven dan dat van de dienstmeisjes. De mannen en vrouwen, die naar fabrieken en werkplaatsen gaan, moeten den langen, langen dag hard werken voor een hongerloon, maar na afloop daarvan zijn ze tenminste vrij. De dienstmeisjes echter zijn nooit vrij. Ze mogen al blij zijn als ze om de 14 dagen  een halven dag ‘uit’ mogen. Ze zijn slavinnen in den volsten zin des woords en dat in den regel op jeugdigen leeftijd, als alles dringt om te leven, te genieten. Schandelijk is het, dat onze meisjes worden afgebeuld door luie ‘mevrouwen’ en knibbige oudste dochter des huizes. 0, wie weet hoevele zuchten daar niet dag  aan opstijgen uit de kelders en zolderkamertjes der arme dienstmeisjes! Om eens te laten zien wat zoo’n dienstmeisje al te doen heeft, laten we hier een werklijst volgen blijkbaar opgemaakt door een ‘mevrouw’, die ons toevallig in handen kwam (d.w.z. de mevrouw niet, maar de werklijst).’

‘Dagelijkse werkzaamheden: 6 Uur opstaan ‘s zomers, half zeven ‘s winters, voor het naar beneden gaan bed afhalen en waschtafel en pot schoonmaken,het allereerst de kinderspeelkamer stoffen en nat opnemen, terwijl het raam openstaat, dan de kamer van mijnheer flink vegen en overal goed stof afnemen, kleedjes uitslaan, ook het balkon stoffen, vooral de stoelen verschuiven met vegen. Salonkachel uithalen en vullen als die gebruikt is en stof afnemen. Om 8 uur schoenen poetsen, bij het  kamerstoffen ook de lampen afstoffen en spiegels. Na het ontbijt de bedden afhalen op de slaapkamer, matrassen goed omkeeren en laten luchten, dan de kinderslaapkamer vegen, kleine kleedjes uitslaan, vloer met een natte doek afnemen en de stof afnemen, dan de slaapkamer verder in orde brengen, bedden netjes opmaken, vegen en’ stof afnemen, de waschtafel vooral netjes schoonmaken, neem daarvoor altijd een kannetje warm water, ook de potten goed uitspoelen. Dan de meidenkamer, bedden opmaken en stoffen, de trappen en gang vegen en stoffen, de badkamer opruimen. half een: koffie klaar zetten, na de koffie afnemen, het zilver- en glaswerk niet in de keuken afwasschen, goed kokende zeepsop om het zilver om te wasschen, het glaswerk in ander water afwasschen. Zorg dat ge er ‘s middags netjes uitziet om te dekken, vooral zorgen dat alles  netjes op tafel is, zorgen dat de karaffen goed schoon zijn. Wees zelf altijd netj es gekleed met nette schort en vooral met het dienen moet alles zeer stil gedaan worden. Na het eten afnemen, het tafelgoed netjes in de pers leggen, het zilver weder in goed warm zeepsop afwasschen, goed afdrogen en dan voor ge opbergt met de zeemleerenlap nawrijven, ook het glaswerk en zilver weder in de eetkamer afwasschen. ‘s Avonds op de slaapkamer licht opsteken en gordijnen dicht doen, vuile kommen uitgooien en met schoon water vullen, als er logés zijn ook zorgen voor schoone kommen en de gordijnen sluiten en licht opsteken, beneden in de kamer van mijnheer ook gordijnen dicht doen als het donker wordt en licht opsteken. ‘s Morgens om half acht moet ge komen wekken, gordijnen optrekken, kommen uitgooien, kachel oppoken en warm water en melk brengen, niet vergeten de aschbakken van de kachels ‘s morgens leeg te maken.  De brieven moeten altijd op een blaadje binnen gebracht worden, denk er ook aan zachtjes al het werk te doen, geen deuren hard dichtslaan, ge moet ‘s morgens ook dadelijk de muts opzetten. ‘

Ca. 1927: Ouderlijk gezin Niemeijer Rekers met links zus Marie en rechts Gesina.

Gesina is dus dienstmeisje en woont voor haar huwelijk intern bij het gezin van haar werkgeefster in Enschede. Daar heeft ze inderdaad veel geleerd en gezien bij haar mevrouw. Hoe ze de tafel correct moest dekken met wit, gesteven damast en tafelzilver. Hoe ze het eten op moest dienen in diverse porseleinen dekschalen, en zeker niet met pan midden op de tafel, zoals ze thuis gewend moet zijn geweest. Dit soort wetenswaardigheden sijpelden door naar de volgende generaties. Ook haar dochters, kleindochters en achterkleindochters zijn nog steeds van de mooi gedekte tafel. En dan het koken… mijn grootmoeder kookte de sterren van de hemel. ‘Als in een restaurant’ zei mijn moeder dikwijls, als ze herinneringen ophaalde aan haar moeder: ‘alleen véél te vet’, want van reuzel, vetkaantjes en spek gruwde mijn moeder. Maar dit werd dan ook als het enige minpuntje benoemd in mijn grootmoeders culinaire hoogstandjes. Van zelfgemaakte pudding tot groot zondags gebraad, het was allemaal even lekker. Ook kon ze met van die kleine priegelsteekjes de prachtigste creaties borduren. Ik herinner mij als vijfjarige mijn helblauwe zomerjurk met pofmouwtjes, waar mijn grootmoeder in een split second een paar prachtig roze roosjes, met knopjes en piepkleine groene blaadjes, op borduurde. Het boeketje groeide onder haar vingers. Het was magisch en betoverend mooi. Naaien, haken en breien, ze draaide haar hand er niet voor om. Ieder jaar was het weer een verrassing wat ze nu weer als goed heiligman in elkaar had geknutseld. Want voor al haar 19 kleinkinderen bedacht ze iets bijzonders. Van omhaakte kleerhangers met bungelende poppetjes, tot zeeptonnen die ze stoffeerde tot vrolijke opbergpoef.

Mijn grootmoeder was een trotse, sterke en vooral nuchtere persoonlijkheid. Onderdanigheid stond haar niet goed. Bazigheid des te beter. Het kan niet anders of ze heeft enorme moeite gehad met haar rol als dienstmeisje. Ook zal ze hoogstwaarschijnlijk erg jaloers zijn geweest op wat ‘haar mevrouw’ zich allemaal kon permitteren op materieel en sociaal gebied. De luxe en properheid, de keuken vol gemakken, de kachels en de sanitaire voorzieningen van haar werkhuis waren als een behaaglijke deken om het leven heen. Dat alles stond in schril contrast met de gedateerde, primitieve arbeiderswoning waar ze zelf vandaan kwam. Onrechtvaardig zal ze het gevonden hebben dat door haar simpele komaf, een leven als ‘Mevrooow’ niet voor haar leek te zijn weggelegd. Accepteren wilde en kon ze dit niet. Ze heeft waarschijnlijk al snel begrepen dat haar enige uitweg een goed huwelijk was. Door bijvoorbeeld, in tegenstelling tot haar moeder, met een opgeleide man te trouwen. Een man die net als zij een betere toekomst ambieerde. Haar looks en haar vrolijke wat schalkse blik met grote filmsterogen had ze mee. Haar ouderwetse, lange meisjeshaar liet ze knippen tot een fris, kort, modisch, grootsteeds jaren-twintig-kapsel. Ze was klaar voor grote veranderingen, ze was klaar om aan haar eigen gezin te beginnen.

Studie Gesina Niemeijer 1925: pen op papier, 67 cm x 40 cm.

Waar ze al haar kennis bijeen gesprokkeld heeft en bij welke mevrouw(en) ze in dienst is geweest, weet ik niet, maar het verhaal gaat dat ze in ieder geval in de buurt van de Oldenzaalsestraat (toen Oldenzaalschenweg) in Enschede gewerkt moet hebben. Daar heeft ze ergens mijn grootvader Harry, haar toekomstige echtgenoot, ontmoet. Hij woonde op nr. 114 met zijn ouders en twee broers. Zijn moeder, Johanna Smit, had een winkel in religieuze artikelen, van kruisbeelden en kerststallen tot priestergewaden. Schuin tegenover in die straat, op nr. 115, stond de Sint-Jozefkerk, waar Harry’s vader koster was. Misschien zag ze Harry daar wel wekelijks, tijdens de zondagsdienst, waar ze als goed Rooms-katholiek meisje naar de mis moet zijn geweest. Hoe dan ook, de liefde is groot. Zo groot, dat ze 11 maart 1927 haar ontslag indient bij haar mevrouw en terug gaat wonen bij haar ouders in Ootmarsum om zich op haar huwelijk voor te bereiden. Ze trouwt op een zonnige woensdag 4 mei 1927 in Ootmarsum. Waarschijnlijk werd hun kerkelijk huwelijk ingezegend in de Rooms katholieke H.H. Simon en Judas kerk. Gesina is dan vierentwintig jaar oud, net als haar echtgenoot Gerhardus (Harry) Hermannus Wegdam. Eerste getuige is Johannes Lambertus Niemeijer, oud 48 jaar, van beroep timmerman, woonachtig te Ootmarsum, oom van bruid. De tweede getuige is Bernardus Henricus Wegdam, oud 25 jaar, van beroep leerling-machinist, woonachtig te Nijmegen, broer van bruidegom. Het jonge koppel begint hun gezamenlijke leven in een appartement in de Alsteedsestraat boven Altemühl in Enschede.

1927: Huwelijksfoto van Gesina Niemeijer en Harry Wegdam.         

Ze verhuizen rond de geboorte van hun eerste dochter richting Lonneker, een rustig dorp ten noorden van Enschede. Ze blijven hier tot het einde van hun leven wonen. Het langst woonden ze aan de Bergweg 27. Gesina krijgt in totaal zes kinderen, vijf dochters en een zoon. De dochters hebben in tegenstelling tot Gesina wel de kans gehad door te leren. Want zij wist als geen ander hoe moeilijk het leven kon zijn zonder opleiding en hoeveel beter met. Mijn grootvader Harry werkte zich via een avondstudie op van kantoorbediende tot belastingconsulent. Hij slaagt voor zijn examen in Leiden aan Het Instituut voor Handelswetenschappen in 1932. Hij werkt daarna deels als administratief medewerker bij Rörink en van den Broek, en deels voor zijn eigen boekhoudbureau. Mijn grootouders hadden een goed huwelijk volgens mijn tante. Er was veel plezier en lol in huis. Vooral mijn grootvader was een humoristische, grappige man. Hij zat in de gemeenteraad en was penningmeester van menig club en vereniging. Thuis bestierde mijn grootmoeder de huishouding met strakke hand. Ze was erg precies en het moest exact op haar manier, anders kon je zonder pardon de boel herdoen. Gastvrij was ze ook en regelmatig schoven er vrienden van hun kinderen en familie aan. Ja, het is mijn grootmoeder Gesina gelukt!  Ik vind dat bewonderingswaardig. Ze is toch maar mooi van een dubbeltje een kwartje geworden. Dat waar ze als jong meisje zo hartstochtelijk van droomde, heeft ze waar gemaakt. In de Tubantia van 1942 lees ik een advertentie waarin ze op zoek is naar een ‘flink’ dagmeisje. Gesina is ‘Mevrouw’ met een net gezin, een groot huis en in ‘bezit’ van een dienstmeisje.

1942: Het gezin van Gesina met haar man Harry en de kinderen. 

Bijzonder wel, advertenties van normale dagdagelijkse dingen in een krant van 1942 tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik had dat niet verwacht. Tussen de vreselijk berichten over bommeldingen, granaatinslagen, losgeslagen NSB’ers en jodenvervolging, ging het leven gek genoeg gewoon door. Reclame voor bouillonpoeder en personeelsadvertenties. Het leven uit een krant, in voor- en tegenspoed. In datzelfde jaar 1942 in september overlijdt Gesina’s vader Gerhard Niemeijer op 73-jarige leeftijd. Haar moeder Maria Rekers trekt dan in bij Gesina’s jongere zus Maria. De oorlog zet zich in alle heftigheid door. Ook Harry’s vader wordt ziek. Hij was al een tijdje aan het sukkelen met een ongeneeslijke kwaal. En hij sterft in oktober 1943. Tijdens de zoveelste bombardementen in Enschede in 1944 gebeurt het meest verschrikkelijke denkbaar. Er valt een bom op het ouderlijk huis van Harry in de Oldenzaalsche weg (nu Oldenzaalse straat). Gelukkig weet zijn moeder met hulp van buren heelhuids uit de puinhopen te komen. Ze is totaal ontredderd. In een klap is ze alles kwijt. Huis, winkel, inkomen en bezit. Ze trekt in bij haar zoon Harry, Gesina en de kinderen. Als ze later dat jaar voor een kort verblijf naar haar oudste zoon in Nijmegen gaat, keert ze hier nooit meer van terug. Ze sterft begin 1945 zeventig jaar oud, in Nijmegen.

De oorlog was een heftige en vooral verdrietige tijd voor Gesina, Harry en de kinderen. Maar gelukkig en vooral dankzij de boeren in de omgeving die ‘het boekhoudgezin’ regelmatig wat toestopten, leden ze geen gebrek of  ‘echte’ honger, vertelt mijn moeder over die periode. Wel was het onderwijs op de lagere school gestaakt, doordat de Duitsers het gebouw hadden opgeëist. Ook waren de meeste producten op rantsoen, zoals koffie, zeep en meel. Stof voor kleding was ook moeilijk te krijgen. De bevrijding komt dan ook als een verademing. Naast alle doden die ze betreurden, moesten de handen uit de mouwen: er moest letterlijk en figuurlijk puin geruimd worden. De tijd van de wederopbouw was begonnen.

1933: Dorpsgezicht met de kerktoren van Lonneker.

De kinderen worden volwassen. Ze studeren en/of werken en trouwen. De een na de ander verlaat het ouderlijk huis in de Bergweg. Gesina en Harry worden Grootouders. Ook van mij. In 1962 laten ze een huis bouwen aan de Oldenzaalse straat in Lonneker, met aan de zijkant een kantoor met garage. En met een mooi, zwart, glimmend bord aan de deur dat met gouden, sierlijke letters de naam en de professie van Harry aangeeft. Achter het huis zit een flinke tuin die aan een uitgestrekt weiland grensde. Er stonden altijd schapen in, tenminste in mijn herinnering. Ze kwamen mekkerend naar het hek als wij, kleinkinderen, ze daar groenteafval en oud brood voerden. Als je kwam logeren mocht je iedere keer weer kiezen in welke kamer je sliep. In de helemaal met blauw ingerichte, of in de roze kamer. Grootmoeder Gesina had die kleur niet alleen op de muren maar ook op de spreien, gordijnen en lampenkappen doorgevoerd. Een van die kamers had een balkon. Je zag de hellende achtertuin, en in de verte de kerktoren van Lonneker. Die heb ik vaak geprobeerd te schilderen. Het lukte helaas nooit vond ik. Toch bleef mijn grootmoeder speciaal voor mij goudomrande bonbondeksels sparen, die als schilderijdrager dienden voor mijn vele creaties.

Studie Gesina Niemeijer: pen op papier, 67 cm x 40 cm.

Mijn grootouders zijn tot hun 76ste daar blijven wonen. Maar uiteindelijk werd het hun toch te bewerkelijk en te groot. Ze verkochten de hele boel en verhuisden naar een aanleunwoning in de Dorpsstraat: ‘het Wegmansbosje’, zo goed mogelijk voorbereid op wat de oude dag hun brengen ging. Twee jaar later, op 17 december 1980, overlijdt grootvader Harry. Op het einde van zijn leven had hij het erg benauwd. Toch bleef hij vrolijk zijn sigaartje combineren met zijn fles zuurstof. Gesina blijft alleen en verdrietig achter maar hervindt toch haar dagdagelijkse routine met hulp van haar dochters, schoonzonen en kleinkinderen die bijna allen bij haar in de buurt wonen. Het verhaal gaat dat ze op haar oude dag nog een nieuwe liefde ontmoet. Ik hoop dat dat waar is. In 1985 belandt ze in het ziekenhuis in Enschede en ze knapt niet meer genoeg op om naar huis te kunnen. Ze komt in het Arienshuis terecht waar ze op 87-jarige leeftijd op 22 mei 1989 overlijdt. Mijn grootouders zijn beiden begraven op het R.K. Kerkhof te Lonneker.

1966: Gesina, Maria (haar moeder), Harry, hun kinderen met partners, en kleinkinderen. 

 

 

 

Zie meer voorbeelden van portretschetsen klik op portret & project schetsen

Een gedeelte van de achtergrondinformatie die ik in deze schets over mijn voormoeder Gesina Niemeijer gebruikt heb, komen uit de aantekeningen van archiefonderzoeken van mijn peetoom Ben Meekes en zijn zoon, mijn neef Sjef Meekes. Super bedankt daarvoor! Ook heeft mijn tante Magda mij liefdevol geholpen met haar verhalen over vroeger. Verder heb ik geput uit herinneringen die mijn moeder Rita Wegdam heeft opgeschreven en nagelaten.

Scroll naar top