conceptueel kunstenaar - portrettist

*Maria Christina Carolina Sterk 1857-1899
De docente en pionier: Ken jij je voormoeders?

   

Maria Christina Carolina Sterk, acryl op paneel 1m20 x 1m60. Op schilderingen links Maria met haar moeder Christina Kempeners (1831-1907).  

Op woensdag 4 november 1857 ’s avonds om half tien wordt in huize Sterk te Grave een gezond meisje geboren. Ze wordt vernoemd naar haar net overleden halfzusje: Maria. Ook is deze voornaam op dat moment de populairste meisjesnaam in Nederland. Als doopnamen geven haar ouders haar de namen: Christina Carolina. Ze is het zevende kind van haar vijfendertigjarige vader Cornelis Johannes Sterk. Van deze kinderen, haar halfbroers en -zus, zijn er helaas nog maar drie in leven. Willem van acht, Elisa van zeven, en Frans van zes. Haar vader Cornelis, winkelier en deurwaarder bij het kantongerecht in Grave, is weduwnaar van zijn eerste vrouw, de moeder van zijn kinderen. Hij is hertrouwd met de nu zesentwintigjarige Christina Kempeners, zijn tweede vrouw en stiefmoeder voor zijn kroost. Het pasgeboren meisje Maria Sterk is haar eerste eigen kind.

Terzijde van het stadhuis slaan we even een blik in het schilderachtige Scheerestraatje. In de achtergrond de barokachtige gevel van de zuidelijke dwarsarm van de Elisabethskerk.

Het jonge gezin is net verhuisd naar de Scheerestraat, op nummertje 110. Een groot woonhuis met een winkel. Vlak in de buurt van grootmoeder Bertram waar het gezin voor vader Cornelis hertrouwde, woonde. De kinderen kunnen zo even naar haar toe lopen en andersom kan zij de jonge stiefmoeder van haar kleinkinderen een beetje in de gaten houden. Het is een nieuwe start, met hun pasgeboren dochter Maria en haar (half)broers en (half)zusje. Het is een fijne tijd. Moeder Christina werkt af en toe in de winkel en bestiert verder het drukke huishouden. Vader Cornelis wordt in 1858 benoemd tot deurwaarder van het kantongerecht van Den Bosch, lees ik in mijn grootvader Antons aantekeningen. Wanneer moeder Christina ook opnieuw in verwachting blijkt, dan lijkt het geluk niet op te kunnen. Lijkt, want in de herfst van dat jaar slaat het noodlot heftig toe. Nog voor hij in zijn nieuwe functie komt, wordt vader Cornelis ernstig ziek. Hij sterft 9 november 1858 ‘s middags om twaalf uur, zevenendertig jaar oud. Moeder Christina is hoogzwanger van hun tweede kind, en Maria een peuter van een jaar wanneer ze hem ten grave dragen. Ineens is het leven totaal anders. De kinderen zijn hun vader kwijt, en moeder Christina is een piepjonge weduwe en zorgdrager voor vier jonge kinderen. Een kleine drie maanden later, 22 januari 1859, wordt ’s ochtends om vier uur Maria’s zusje geboren. Het meisje wordt vernoemd naar haar net overleden vader: Cornelia. Als doopnamen krijgt ze de namen: Maria, Alphonsia, Francisca en Lambertina, naar haar moeders moeder.

Volgens mijn grootvader Anton, liet Cornelis zijn gezin totaal onverzorgd achter. ‘Bedenk wel’, zegt hij ‘dat er in die dagen nog geen pensioenfonds was.’ Het gezin valt mede daarom uiteen. Moeder Christina zal door geldgebrek geen andere keus hebben gehad. Vijf kinderen in je eentje grootbrengen, vraagt veel. Juist ook financieel.  Ze besluit, of de familie besluit, dat ze het beste met haar dochters Maria en Cor terug bij haar ouders in Brabant kan gaan wonen. Met pijn in haar hart zal ze 22 juni 1859 uit Grave vertrokken zijn. Ze verlaat de familie van haar man, haar stiefkinderen, en hun huis in de Scheerestraat 110. Maria’s halfzus Elisa en haar halfbroer Willem zullen door hun heeroom Alphons in België op verschillende internaten worden geplaatst. Haar kleine halfbroertje Frans vindt onderdak bij een oom in Grave. Of de kleine Maria dit hartverscheurende afscheid bewust heeft meegekregen, is de vraag. Maar gelukkig houden de (half)broers en (half)zussen ondanks deze breuk onderling contact met elkaar en met hun (stief)moeder Christina.

In 1860 is de dan driejarige Maria met haar moeder en zusje Cor ingeschreven in Valkenswaard bij haar grootouders. Haar dan vierenvijftig jaar oude opa Christiaan Kempeners is ontvanger van de belastingen en haar vierenvijftig jaar oude oma Lambertina Laguesse huisvrouw. Bijzonder is dat oma Lambertina Franstalig is. Zou de voertaal in het gezin Frans of Nederlands zijn geweest in die Brabantse jaren? Een paar jaar later krijgt opa Christiaan een nieuwe standplaats. Hij wordt daar ontvanger van de doorlaatpost. Ze verhuizen naar Wernhout. Een klein dorp onder de rook van Breda met nog geen 300 inwoners. Er was zelfs geen lagere school. De meisjes liepen elke dag 5 km naar Zundert en terug om lessen te kunnen volgen. Vervoer was er niet en regenkleding ook niet. Dus in de winter en herfst zal het geen pretje zijn geweest met hun natte en doorweekte kleding en schoenen in de schoolbanken. In die jaren leert haar moeder Christina een nieuwe man kennen: Adriaan van Delft. Hij is een collega van haar vader en eveneens werkzaam bij de Belastingdienst. Ze trouwen in 1869. Maria is 12 jaar en haar zusje Cor 11 wanneer hun moeder hertrouwt. Adriaan van Delft ontpopt zich als een ware vaderfiguur. Ze spreken hem dan ook aan met ‘Pa (van Delft)’.

Helaas wordt Pa van Delft overgeplaatst naar Haamstede. Het gezinnetje verhuist van Brabant naar Zeeland. Dat betekent afscheid nemen van opa Christiaan en oma Lambertina waar ze toch een heel tijdje mee samengewoond hebben. Maria begint dapper aan haar volgende avontuur in Zeeland. Maar dat blijkt niet makkelijk. Op het eiland Schouwen-Duivenland waar ze terecht komen, zijn haar leeftijdsgenoten protestant, en niet gewend aan katholieken zoals het gezin Sterk-van Delft. Op school heeft ze het daarom zwaar te verduren. Zij en ook haar zusje Cor worden gepest, genegeerd en nageroepen. Gelukkig heeft de burgemeester van Haamstede hier een einde aangemaakt, vertellen de familieverhalen. Dit door zijn dochter de twee meisjes ieder dag te laten ophalen en weer naar huis te laten brengen. De meisjes zijn hierdoor hun leven lang met elkaar bevriend gebleven.

     

1883: Maria als kweekschoolstudente. Martinus als kweekschoolstudent en later docent.

Toch was Pa (van Delft) niet tevreden met deze situatie van de kinderen en werd daarom op zijn verzoek over geplaatst naar Tholen. ‘Daar was een kleine kern van gelijkgezinden en de andersdenkenden waren minder agressief dan in Haamstede’, lees ik in de aantekeningen van mijn grootvader Anton over zijn moeder Maria. Verder vertelt hij dat er een Rijksnormaalschool was in Middelburg die zowel Maria als Cor bezocht hebben. Beiden hebben hun examens gedaan in de Abdij van Middelburg, dat nu het Zeeuws Museum is. Maria haalt eerst haar hulpakte. Dit was een akte voor het geven van lager onderwijs als hulponderwijzer of -onderwijzeres. Daarna haar hoofdakte, akte Frans L.O., en haalde daarbij ook de akte nuttige en fraaie handwerken. Het laatste had wel haar passie want hier heeft ze later ook nog een lesboek over geschreven.

Maria’s zus Cor (Sterk), haar halfzus Elisa (Sterk) en halfbroer Willem (Sterk).

Wie schoolmeester wilde worden in Zeeland kon terecht op de Rijkskweekschool in Middelburg, die sinds 1876 samen met een zgn. Rijksleerschool aan de Lange Noordstraat gevestigd werd. Het gebouw dat betrokken werd, was een 18e-eeuws Patriciërshuis, dat gebouwd was in een sobere Lodewijk de XVI-stijl. In feite waren het drie woningen, die samen tot één geheel gemaakt worden. Achter de school verscheen een nieuwe Rijksleerschool, een gewone Lagere School, waar de aankomende schoolmeesters zich in hun taak konden bekwamen. In de Schoolwet 1878 van Kappeyne van de Copello werd het onderwijs aanzienlijk beter geregeld, waaronder ook de opleiding tot onderwijzer. Ondanks het ontbreken van subsidie verschenen in deze tijd de eerste bijzondere kweekscholen, onder andere in Nijmegen en Zetten. Vanaf 1877 worden ook meisjes tot de opleiding toegelaten. 

Maria’s eerste baan was als onderwijzeres op de openbare lagere school in Tholen. Maar ze wil meer. Ze solliciteert naar een baan als docent aan de MULO voor meisjes in Bergen op Zoom. Ook wel de school van juffrouw Visser genoemd. Ze is dolblij wanneer ze aangenomen wordt. Ze verlaat het ouderlijk huis in Tholen en gaat wonen in Bergen op Zoom, in een huisje aan de Potterstraat 238. Haar zus Cor heeft inmiddels een aanstelling gevonden als onderwijzeres in Halsteren en trekt dat jaar ook bij Maria in. Dan wordt in 1882 onverwacht stiefvader Adriaan ziek. Tot hun verbijstering sterft hij niet veel later. Hij is dan pas negenenveertig jaar oud. Moeder Christina opnieuw weduwe vindt haar draai niet meer alleen in dat grote huis in Tholen. Daarom ontbindt ze een paar maanden later haar huishouden en gaat wonen bij haar twee dochters in Bergen op Zoom.

Moeder Christina Kempeners

Maria had geen volledige baan aan de (M)ULO, dus zocht ze naar extra werk. Ze werd ook aangenomen voor een paar dagen per week als leerkracht aan de Rijksnormaalschool in Bergen op Zoom. Het is daar waar ze haar toekomstige echtgenoot Martinus Adrianus Mercx (1856-1940) leerde kennen. Hij was hoofd van de jongensschool in Roosendaal en leeraarde ook op de Normaalschool. ‘Het was liefde op het eerste zicht’, lees ik in de aantekeningen van hun zoon Anton. Het was een knap stel om te zien, zij met haar sprankelende ogen en hoog opgestoken meisjeshaar en hij met zijn parmantige knevel en diep bruine, zachte, wat ernstige,  toegewijde blik. Ze hadden een zeer goed en gelukkig huwelijk volgens de overlevering. Het werd ingezegend op 21 april 1884 in Bergen op Zoom. Als getuigen waren zijn ouders aanwezig, Adriana Jansen en Antonie Mercx. Van haar kant tekende haar moeder (Christina Kempeners) en oom Frans van den Heuvel uit Grave, de akte.

1888: Maria en Martinus met hun oudste twee kinderen, Anton en Christina.

Hun eerste zoon Antonius Cornelis Marie (mijn grootvader) werd geboren op 28 januari 1885. Hij werd directeur van de gemeente gasfabriek in Oldenzaal. Hij is gestorven in Brunssum in 1973. Hun tweede zoon Martinus Willem Marie, geboren 4 mei 1886, leefde helaas maar heel kort. Hij stierf 5 maanden na zijn geboorte, in oktober 1886. Twee jaar later, 25 mei 1888, werd hun eerste dochter Christina Adriana Martina geboren. Ze werd onderwijzeres, net als haar ouders. Ze bleef vrijgezel in zoverre ik het heb kunnen nagaan. Ze is overleden in Amsterdam, vlak na de Tweede Wereldoorlog op 24 november 1945. Hun laatste dochter Cornelia Marie Martina, geboren op 18 december 1892, trouwde jong. Op 22-jarige leeftijd. Ze kreeg in ieder geval vijf kinderen. Ze is overleden op 25 maart 1979 in Maastricht. Na haar jongste dochter kreeg Maria nog een of misschien wel meerdere miskramen, waarna ze niet meer goed herstelde.

1892, de kinderen Mercx: Anton, Christina en Cor.

Tijdens haar huwelijk gaf Maria, naast dat ze als onderwijzeres voor de klas stond, dagelijks bijles aan kinderen die individueel onderwijs nodig hadden. Haar zoon Anton schrijft: ‘Soms hadden we wel vier leerlingen tegelijkertijd in huis, gespreid over twee kamers. De meeste van die knapen zijn nog vrij goed terecht gekomen.’ Verder vertelt hij over zijn moeder: ‘Ze had een bijzonder zwak voor andersdenkenden en stond steeds klaar om die op te vangen en te helpen. Ze wist maar al te goed hoe moeilijk iemand het kon hebben die eenzaam leefde in een overwegend andersdenkende omgeving.’ Maria werd door haar leerlingen op handen gedragen vertelt haar zoon Anton. Dat is meer dan eens gebleken dat hij lovende woorden over haar als lerares hoorde. Zowel op de HBS als ook later toen hij in Bergen op Zoom gelegerd was als soldaat. 

Huize Mercx-Sterk was niet alleen een zoete inval voor leerlingen, maar ook een goed verblijfadres voor familie, zie ik aan de registraties van bewoners op hun huisadres. Zowel de broer van Martinus, Jan (Mercx), als zijn zus Hendrika woonde tijdens de studie voor onderwijzer bij het gezin in. Hoewel zus Hendrika (Antje) natuurlijk ook makkelijk was als hulp in het huishouden. Ook Maria’s moeder Oma Sterk (Christina Kempeners) verbleef er telkens een half jaar en vertrok daarna weer voor een half jaar naar haar andere dochter Cor in Engien (België).

Naast haar drukke baan, gezin en huishouden was Maria ook jarenlang lid van de examencommissie voor handwerken in Breda. Elk jaar waren daar een drietal weken mee gemoeid. En jawel, ‘dat vond plaats in het koude jaargetijde’, schrijft haar zoon Anton. Hij vervolgt: ‘Ze zat die periode dan in een hotel in Breda, aan de markt, waar enkel de benedenverdieping verlicht en met kolenkachels verwarmd was. Als ze ‘s avonds naar boven, naar haar kamer ging, kreeg ze een kaars met blaker mee. Nu was het in die dagen heel ongewoon dat een dame alleen reisde of alleen in de gelagkamer ging zitten. Dat deed enkel een dame die op nevenverdienste uit was. Dus meteen na het diner ging mijn moeder met de kaars naar boven. Ze trok dan een wollen deken van het bed en sloeg die om. Als dit ging vervelen en ze het echt te koud kreeg dan kroop ze maar in bed’, aldus Anton. Hij schrijft dat hij haar vaak in stilte heeft beklaagd als ze weer met de trein naar Breda vertrok.

Portretfoto ca. 1897, waarschijnlijk gebruikt voor de later geschilderde portretten.

Maria schreef in die tijd ook een leerboek over nuttige handwerken. Een verplicht vak op het L.O. en het V.O. Het heeft veel moeite gekost hier een uitgever voor te vinden. Uiteindelijk was het een zekere Stokvis in Den Bosch die het wilde publiceren. Het boekje werd helaas geen succes. Volgens Maria en Martinus kwam dit omdat de uitgever niet commercieel genoeg was. We zullen het nooit weten. Wel dacht ik gezien te hebben dat het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht een exemplaar hiervan bezit.

Maria bleef tobben met haar gezondheid de laatste paar jaar van haar leven. Uiteindelijk bleek ze keelkanker te hebben. ‘In die dagen wist men daar beslist geen raad mee’, vertelt Anton verder over zijn moeder. ‘Er was in die tijd niet eens een ziekenhuis in Roosendaal. Zo nu en dan kwam een dokter Struyken uit Breda de bijna dicht gegroeide keel met een boor wat open maken…met als enige resultaat, dat het lijden verlengd werd.’

     

Ca. 1897: portretten van Maria Sterk en Martinus Mercx. Schilder onbekend.

‘16 sept. 1899 (zaterdag 7 uur ’s morgens) overleed mijn goede vrouw, der kinderen onvergetelijke moeder’, schrijft Martinus in zijn schrift van Eenige bladzijden Geschiedenis. ‘19 sept. ’99 (dinsdag) Begrafenis’, staat er bondig… De rest van het blad is blanco. Maria was tweeënveertig jaar oud toen ze stierf na een pijnlijk en heftig sterfbed. Martinus staat er nu alleen voor. Hun zoon Anton -mijn grootvader- is dan 14 jaar en gaat naar de HBS. De twee dochters Chris en Cor zijn elf en zeven. Martinus is nooit hertrouwd. Hij heeft zijn vrouw niet kunnen vergeten. Er gaan ook verhalen dat Maria hem op haar sterfbed gevraagd heeft niet te hertrouwen. Misschien door haar eigen ervaring in haar jeugd met een stiefvader? Of was ze jaloers op een mogelijk nieuwe vrouw in Martinus leven? Feit is dat hij zijn vrouw zevenenveertig jaar heeft overleefd en nooit hertrouwd is. Hij was door het verlies van Maria een in zichzelf gekeerd man geworden die eenzaam door het leven ging, volgens zoon Anton.

   

Zoon Anton Mercx (ca. 14 jaar), dochters Cor en Crisje (ca. 20 jaar).

Martinus leeft nog een heel leven dus. Hij verhuist van Roosendaal naar Utrecht waar hij schoolopziender in het arrondissement IJsselstein werd. Hij zet zich als inspecteur van het onderwijs in voor verbeteringen en veranderingen. Hij krijgt hier zelfs van ‘Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden’ 28 januari 1927 een onderscheiding voor. Hij wordt benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Dit voorgedragen door de minister Waszink van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen voor zijn bijdrage in de ontwikkeling van het onderwijs.

     

Martinus met onderscheiding en ‘De Onderscheiding’.

Een jaar later op 13 mei 1928 wordt zijn kleinzoon Raymond (mijn vader) geboren. Martinus, mijn overgrootvader, schrijft in zijn schrift op 14 juni: ‘Tegen 4 uur n/m de reis naar Oldenzaal ondernomen. De kleinzoon Raymond mag er zijn; Marie (Raick, de moeder) voelt zich nog zwak en gauw moe; Ton (Anton, zijn zoon) en de meisjes (zijn vier kleindochters: Marthe, Willie, Truus en Lies) zijn goed.

(Overgrootvader) Martinus brengt zijn laatste jaren door in Huize St. Anna in Nijmegen. Vandaar stuurt hij mijn vader, zijn kleinzoon regelmatig postkaarten met liefdevolle boodschappen en godvruchtige, grootvaderlijke vermaningen en gedichten. De postkaarten komen niet alleen van Nijmegen waar hij woont, maar ook van andere plaatsen waar hij zich bevond.

Op vierentachtigjarige leeftijd op 3 juli 1940 om drie uur in de namiddag sterft hij na een heel kort ziekbed. Hij was begraven achter huize St. Anna…

In 1972 werd Huize St. Anna afgebroken om plaats te maken voor het verpleeghuis St. Joachim en St. Anna. De begraafplaats werd geruimd en de stoffelijke resten zijn herbegraven in een gemeenschappelijk graf op het kerkhof naast de Cenakelkerk in de Heilig Landstichting.

 

 

Voormoeders een vergeten groep. Bijna niemand kent zijn eigen voormoeders. Of weet hun namen. Jij wel? Uit de mottenballen met die dames..

Het bijzondere van mijn voorfamilie is dat er redelijk wat bewaard is gebleven aan foto’s en documenten. Door dit te archiveren, te rangschikken en te complementeren met nieuw archiefmateriaal blijkt dat mijn voormoeders diverse klassen van de samenleving vertegenwoordigden in diverse delen van het land, waaronder België. Ze kunnen daardoor representatief genoemd worden voor de geschiedenis van de gewone vrouwen in de Lage Landen. Met al deze informatie voorhanden leek het me belangrijk om hierover een expositie te maken, trachten een gezicht te geven aan de ‘moederlandse’ geschiedenis. Door deze 10  vrouwenlevens uit te lichten en zichtbaar te maken, wil ik vooral een bijzondere en persoonlijke kijk geven op 200 jaar vrouwengeschiedenis. Naast de portretten worden ook themakisten gecreëerd met bijdragen, wetenswaardigheden en curiositeiten aangedragen door deskundigen uit diverse vakdisciplines

Scroll naar top